Dogs Health Watchers   voedingsadvies - afslankingstherapie
[Nederlands]
  Home
Informatie Consulenten Aktiviteiten Links Verkoopsvoorwaarden
 
 
Producten
Boeken
 
Extra
Informatie
Consulenten
Voedingswijzer voor honden
Medische informatie
Aktiviteiten
Pers & Media
Links
Voedingstabellen
Downloads
Resultaten & Reacties
Medische informatie

Eerste Epilepsie-gen bij honden geïdentificeerd.

Door Serena Gordon

DONDERDAG, 6 januari (HealthDayNews) - Onderzoekers hebben een gen ontdekt dat mogelijk verantwoordelijk is voor een zeldzame vorm van epilepsie bij honden.

Hoewel er al ontelbare genen zijn ontdekt die verband houden met epilepsie bij mensen, is dit het eerste gen dat ontdekt is dat verband houdt met epilepsie bij honden.
"Vijf tot 10 procent van de honden heeft epilepsie in vergelijking tot ongeveer 1 procent bij mensen," aldus één van de auteurs van het onderzoeksrapport, Dr. Berge Minassian, neuroloog en wetenschapper aan het Hospital for Sick Children te Toronto, Canada.
"We hebben het eerste hondenepilepsie-gen ontdekt en hiermee mogelijk voor een deel een reden voor het hoge aantal gevallen van epilepsie bij honden verklaard," aldus Minassian.
De resultaten van het onderzoek zullen in het blad Science van 7 januari worden gepubliceerd.

Minassian verklaarde dat hij oorspronkelijk de menselijke vorm van dit type epilepsie, bekend als de ziekte van Lafora, aan het bestuderen was. Kinderen lijken gezond tot ze in hun tienerjaren komen en ernstige aanvallen beginnen te krijgen. Minassian zei dat de aanvallen in ernst toenemen en dat de huidige medicatie ontoereikend is bij deze vorm van epilepsie. Uiteindelijk overlijdt de persoon aan de gevolgen van de ziekte van Lafora.

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van een effectieve behandeling voor ziektes bij mensen is door een doelmatig proefdiermodel van de ziekte te vinden om zo mogelijke therapieën te testen. Een mogelijkheid was honden, omdat Minassian wist dat honden aan een bijna identieke vorm van epilepsie lijden, nl. autosomaal  recessief progressieve myoclonische epilepsie (PME).
Uit het onderzoek blijkt dat deze vorm het vaakst voorkomt bij raszuivere honden, zoals de basset, de dwerg - en gewone poedel, pointers, corgi's, beagles en de dachshond.

Bij mensen en honden met deze vorm van epilepsie kan een aanval veroorzaakt worden door licht. Zoiets simpels als een hand heen en weer bewegen langs de ogen kan voldoende verandering in lichtval veroorzaken om een aanval op te wekken, aldus Minassian.

In samenwerking met veterinaire neurologen in Engeland vergeleken de onderzoekers aan het Hospital for Sick Children de genen waarvan bekend was dat die een verband hadden met Lafora met dezelfde genen van honden met deze aandoening. Zij ontdekten dat een van de genen van de hond inderdaad direct verband hield met epilepsie.
Echter, bij mensen muteren de met epilepsie geassocieerde genen spontaan, terwijl bij honden het gen zichzelf keer op keer herhaalt totdat het stopt met functioneren en epilepsie optreedt.

Nu het gen geïsoleerd is werken Minassian en zijn collega's aan de ontwikkeling van een commercieel beschikbare test om het gen te identificeren, zodat hondenfokkers hun honden kunnen testen om te zien of zij drager van het gen zijn. Met gecontroleerde fokpraktijken zou het mogelijk zijn om deze vorm van epilepsie bij rashonden uit te roeien, zegt Minassian.
Dennis O'Brien, een professor aan het College of Vetinary Medicine (College van Veterinaire Geneeskunde) aan de Universiteit van Missouri, verklaarde: "Dit onderzoek zal veel bijdragen aan een betere toekomst voor de honden. Het geeft hondenfokkers de benodigde hulpmiddelen om betere honden te fokken."
En het zal het leven van eigenaren ook verbeteren, omdat een hond bezitten die regelmatig aanvallen heeft een grote druk legt op de eigenaar, aangezien de ziekte zo onvoorspelbaar is en de aanvallen zich vaak 's nachts voordoen, aldus O'Brien.
O'Brien geeft aan dat er weliswaar geen effectieve behandeling is voor deze vorm van epilepsie bij honden, maar dat er andere vormen bestaan, die wel te behandelen zijn. "We kunnen ongeveer 70% van vormen van epilepsie bij honden behandelen."
Dierenartsen gebruiken dezelfde middelen voor de honden als die gebruikt worden voor mensen met epilepsie, hoewel een aantal van de nieuwere medicijnen te duur is voor de meeste hondenbezitters, zegt hij.

Een avond georganiseerd door Intervet rond het thema: "zin of onzin van vaccineren?"

Op 23 februari laatstleden werd in Gent een avond georganiseerd door Intervet rond de vraag: "zin of onzin van vaccineren?". De spreker was professor H. Nauwynck van het laboratorium virologie aan de faculteit diergeneeskunde te Merelbeke.

Hij herinnerde eraan dat door vaccinatie specifieke immuniteit wordt geïnduceerd met de bedoeling een klinische bescherming te bekomen of de transmissie van virussen te onderbreken (voornamelijk in catteries en kennels).

Na een overzicht van de immuniteitsmechanismen op cellulair niveau verklaarde Prof. Nauwynck de verschillende types immuniteitactieve immuniteit die na vaccinatie van het dier zelf ontstaat, en passieve immuniteit die van de moeder naar de pups wordt overgedragen door het colostrum wanneer de moeder vooraf nog werd gevaccineerd.
In sommige gevallen is het belangrijk een hond of een kat dat gedekt werd, nogmaals te vaccineren tijdens de dracht, waardoor een boostereffect optreedt. Het colostrum dat door de pups of kittens wordt opgenomen bevat voldoende antistoffen om deze tot de 6e levensweek te beschermen. Het vaccineren tijdens de dracht is dus belangrijk, maar niet in alle gevallen noodzakelijk. Een teef dat naar behoren is geënt bijvoorbeeld, hoeft men niet tijdens de dracht opnieuw te vaccineren. Daarenboven moet men rekening houden met het soort vaccin en de aanwijzingen van de fabrikant die op de bijsluiter vermeld staan. De handelingen bij drachtige dieren moeten uiteraard altijd zeer voorzichtig worden uitgevoerd.

In virale vaccins kan men twee types onderscheiden: enerzijds geïnactiveerde vaccins, geproduceerd door inactivatie van het virus zonder dat dit de immunogeniciteit aantast en waaraan adjuvantia worden toegevoegd, en anderzijds geattenueerde vaccins, geproduceerd door seriepassages die een beperkte hoeveelheid virale antigenen bevat en waaraan geen adjuvantia worden toegevoegd.

De voordelen van geïnactiveerde vaccins zijn stabiliteit en veiligheid.  Nadelen zijn prijs, problemen bij het doorbreken van maternale immuniteit en weinig tot geen inductie van cellulaire en lokale immuniteit.
Geattenueerde vaccins hebben als voordeel een snelle inductie van immuniteit, gemakkelijk doorbreken van maternale immuniteit, inductie van cellulaire en lokale immuniteit en vermeerdering in de gastheer.  Nadelen zijn risico's voor veiligheid en de noodzaak het vaccin onmiddellijk na het resuspenderen te gebruiken. Volgens Prof. Nauwynck bestaat er geen enkel verschil in immuniteitsrespons tussen polyvalente en monovalente vaccins.

In de toekomst zal vanuit de Verenigde Staten een snelle test op de markt gebracht worden waarbij de dierenarts de mogelijkheid heeft de concentratie van virale antistoffen te bepalen, alvorens het dier te enten. Hierdoor zal veel gerichter kunnen gevaccineerd worden. In functie van de bepaalde As-waarde zal een dierenarts beslissen al of niet te vaccineren. Met deze methode zal de dierenarts meer gecontroleerd vaccineren en niet jaarlijks een volledige cocktail gebruiken. Prof. Nauwynck gelooft dat klanten jaarlijks naar de dierenarts zullen gaan om deze test te laten uitvoeren. Deze test zal een boostervaccinatie beter controleren.

Prof. Nauwynck behandelde ook het vaccinatieschema bij hond en kat.  Pups kunnen gevaccineerd worden op een leeftijd van 6 weken, doch in geval de moeder een boostervaccinatie heeft gehad op het einde van de dracht, is de vaccinatie van de pup op die leeftijd niet nodig.
Daarentegen zijn de vaccinaties op 9 en 12 weken zeer belangrijk. De spreker herinnerde eraan dat "vaccineren in een besmette omgeving van geen enkele waarde is. Het parvovirus bij voorbeeld is zeer resistent en besmettingsgevaar bestaat nog steeds na acht maanden. Toch volstaat het de vloeren te reinigen met bleekwater. Op de vraag of het nog nodig is jaarlijks te hervaccineren antwoordde prof. Nauwynck, dat dit niet meer nodig is voor honden die geïsoleerd leven en niet gebruikt worden voor de kweek. Daarentegen worden honden gebruikt voor de kweek, jaarlijks gevaccineerd, niet zozeer voor hun eigen bescherming, maar om hun pups via colostrale immuniteit te beschermen.

Vervolgens kwam de vaccinatie van katten aan bod. Prof. Nauwynck benadrukte het belang katten tegen leukemie te vaccineren in "risicogebieden". Het feline coronavirus dat FIP veroorzaakt verspreidt zich slecht. Het is voldoende het virus te temperen en de hygiëne te controleren: de eetbak en kattenbak staan best op een redelijke afstand van elkaar gescheiden. Overpopulatie van katten moet zoveel mogelijk vermeden worden. Indien toch kunnen kittens vervroegd gespeend worden enge'isoleerd opgekweekt worden tot de leeftijd waarop ze gevaccineerd kunnen worden. Dit is op de leeftijd van 16 à 19 weken. Het is echter heel moeilijk de kitten vrij te houden van een oro-fecale besmetting. Volgens Prof. Nauwynck is er waarschijnlijk een genetische aanleg, maar hier moet nog onderzoek gedaan worden. Het vaccinatieschema bij katten begint met een primovaccinatie op 9 weken en 12 weken en dan twee jaarlijks. Hier opnieuw heeft het geen zin te vaccineren in een besmet milieu.

B.V.d. L

Bron: Het Dierenartsen Weekblad nr. 26 - 28 maart 2005



 
Winkelwagen
Aantal Product  
Winkelwagen
 
Aanbiedingen